De Dion-Bouton, Puteaux, Seine (1895-1923). Frans merk, opgericht door graaf Albert de DionGeorge Bouton en diens zwager Trépardoux, die aanvankelijk stoommachines gebruikten om hun driewielige voertuigen aan te drijven. Trépardoux, die aan stoom wilde vasthouden, vertrok in 1893.

Albert de Dion, die zijn tricycles al als vierwieler had verkocht en later ookautomobielen ging maken, wordt als de peetvader van de Franse auto-industrie beschouwd

De Dion en Bouton maakten een 137 cc eencilinder viertaktmotor waarvan meteen duizenden stuks verkocht werden aan andere (motor-) fabrikanten.

In 1895 bouwden ze hun eerste tricycle met deze motor en in 1897 volgde een gemotoriseerde fiets. In 1899 werd de motor vergroot tot 211 cc. De productie van tricycles eindigde rond 1905, maar men zou nog enkele jaren lang tienduizenden motorblokken aan meer dan vijftig merken leveren die zelf niet de mogelijkheden hadden eigen blokken te ontwikkelen. De productie eindigde in 1923.

De Dion Bouton

Auto's

De Dion-Bouton was als automerk zeer belangrijk. De naar De Dion-Bouton genoemde De Dion-as slaat op de achterste as van een auto, die door middel van een differentieel de kracht verdeelt over beide achterwielen. Een belangrijk kenmerk daarbij is dat de as eigenlijk uit twee helften bestaat die onafhankelijk van elkaar kunnen bewegen. Later zou men de techniek ook voor de vooras gebruiken, toen voorwielaandrijving gangbaarder werd. Zelfs nu wordt de in 1893 gepatenteerde Dion-as nog immer in sportwagens over de gehele wereld gebruikt.

Ook werden de motoren van De Dion-Bouton door honderden andere auto- en motorfietsmakers gebruikt, zoals Gräf & StiftAltena etc.

Graaf Albert de Dion en Georges Bouton bouwden al in 1883 hun eerste stoomauto. Men zag snel het potentieel van de benzinemotor in. De eerste echte auto van De Dion-Bouton kwam in 1899, een vierzitter. De auto had een achterin geplaatste watergekoelde ééncilindermotor van 402 cc. Hij werd goed verkocht en bepaalde in belangrijke mate de motorisering van Frankrijk. De snellopende benzinemotor had een toerental van maar liefst 2000 omwentelingen per minuut, waardoor de motor door vele fabrikanten werd ingebouwd. Het bedrijf maakte niet alleen kleine auto's met enkele cilinders; het was het eerste merk ter wereld dat een V8-motor bouwde.

Zoals zovele merken, kwam De Dion-Bouton na de Eerste Wereldoorlog er nooit meer echt bovenop. Productie van auto's ging wel door tot 1932, maar was niet meer belangrijk of opvallend te noemen.

Na Panhard-Levassor is De Dion-Bouton waarschijnlijk de meest invloedrijke autofabrikant in de beginjaren van de automobiel ter wereld geweest. In 1883 al richtten de graaf Albert De Dion, de technicus Georges Bouton en diens zwager Trépardoux het bedrijf De Dion Bouton et Trépardoux op. Het was een merkwaardig driemanschap: de rijke aristocratische graaf De Dion en de heel gewone arbeiders Bouton en Trépardoux.
Ze bouwden stoonvoertuigen en al in 1887 bouwden ze een stoomdriewieler die in staat was 60 km/uur te rijden. Voor de eerste automobiel-betrouwbaarheidsrit in 1894 (Parijs-Rouen) reden ze mee met een stoomtrekker die een aanhanger trok. Hoewel ze de snelste tijd maakten, wonnen ze niet de eerste prijs.
Rond die tijd expirimenteerde de graaf ook al met benzine-motoren, een ontwikkeling die Trépardoux niet zag zitten en in 1894 verliet hij het bedrijf, dat verder ging onder de naam De Dion-Bouton.

De firma sloeg meteen toe, want in 1895 presenteerde Bouton de eerste telg van een nieuwe motorengeneratie: een 1-cylinder luchtgekoelde motor van 137 cc die maar liefst 2.000 toeren per minuut kon draaien, voor die tijd een ongehoord aantal. Deze motoren werden ingebouwd in een soort motor-driewielers en waren meteen een gigantisch succes. Al snel kwamen er meerdere versies met grotere capaciteiten van deze motor. De motoren werden ook aan andere fabrikanten verkocht; meer dan 140 verschil- lende merken hebben ooit van De Dion-Bouton motoren gebruik gemaakt.

De eerste vierwieler van het merk verscheen in 1899 met een 1-cylinder watergekoelde motor van 402 cc. Ondanks de relatief hoge prijs werden er in 1901 toch al 1.500 van verkocht.

In 1902 kwam De Dion-Bouton voor het eerst met auto's met de motor voorin. Men kon kiezen uit motoren van 864 of 942 cc. In 1903 kwam daar de goedkope type Q bij (die ook wel de "Populaire" werd genoemd) met een motor van 698 cc. Deze lichte auto's werden zeer populair en maakten De Dion-Bouton tot één van de grootste autofabrieken ter wereld. Ook in 1903 kwam de eerste 2-cylinder.

De fabriek, niet sportief ingesteld, bouwde wel race motoren voor andere fabrikanten. Toch schreven ze in 1903 in voor de race Parijs-Madrid met een team van 4 voiturettes met 4-cylinder motoren van 2.545 cc. 

Tot 1914 was het gamma zeer uitgebreid en complex. 1, 2 en 4 cylinder motoren waren leverbaar met verschillende capaciteiten en in 1910 was er weer een wereld-première in de vorm van de eerste in serie gebouwde V8-motor. In 1914 was deze motor er in drie uitvoeringen: 3,5 liter, 4,6 liter en 7,8 liter.

De Dion-Bouton kwam de Eerste Wereldoorlog, net als vele andere Franse fabrikanten, niet goed te boven. In 1919 kwamen ze met een 4-cylinder van 1.847 cc en twee V8-en. In 1923 werd de V8 afgeschaft. In 1924 kwam een luxueuze 4 liter 4-cylinder en in 1926 een goedkope kleine wagen met een 4-cylinder 1,328 cc motor. In 1927 was het afgelopen. De fabriek maakte nog wel een doorstart, maar dat lukte niet echt. In 1932 werd de personenauto productie definitief gestaakt.

De productie van vrachtauto's bleef men continueren tot 1953.